De Smet Accountants - Nieuwsbrief - April 2020

Nummer 2 April 2020 [ FISCAAL ] [ 2 ] [FISCAAL] J Buitenlandse eenverdiener kan alleen eigen hypotheekrente aftrekken Een zogeheten kwalificerende buitenlandse belas- tingplichtige mag zijn aandeel in een negatief inkomen uit eigen woning aftrekken. Om te kwa- lificerenmoet de belastingplichtige ten eerste inwoner zijn van een lidstaat van de EU, EER of van andere aangewezen staat. Daarnaast moet zijn arbeidsinkomen voor 90%of meer onder de Nederlandse loon- of inkomstenbelasting vallen. Ookmoet hij een inkomensverklaring van de bui- tenlandse belastingdienst overleggen. Maar stel dat zijn echtgenoot een niet-kwalificerende buiten- landse belastingplichtige is. In dat geval telt de echtgenoot niet als partner voor de Nederlandse inkomstenbelasting. Het gevolg is dat de echtgeno- ten het inkomen uit eigen woning niet onderling mogen verdelen. En dus mag de kwalificerende buitenlandse belastingplichtige de hypotheek- rente van zijn echtgenoot niet aftrekken. J COVID-19: Versoepeling in uitstelrege- ling vanwege coronacrisis Ondernemingen kunnenmeteen en zonder aan- vullende voorwaarden driemaanden uitstel van betaling van onder andere loonbelasting, vennoot- Beide echtgenoten zijn kwalificerende bui- tenlands belasting- plichtigen als hun gezamenlijke inko- men voor ten minste 90% is onderworpen aan Nederlandse inkomsten- of loonbe- lasting. Daarnaast moeten zij een inko- mensverklaring van de buitenlandse fiscus overleggen. schapsbelasting en btwkrijgen. Zij hoeven geen ‘aanvullende verklaring’ van een accountant, dat het uitstel temaken heeft met de coronacrisis, meer in te dienen. Als een ondernemer langer uitstel wil, is dat ookmogelijk. In dat geval kan de inspecteur echter wel voorwaarden stellen. Maar het kabinet laat weten dat het de administratieve lasten zo beperkt mogelijkwil houden. Ook is bekend gemaakt dat ondernemers niet meer afzonderlijk melding van betalingsonmacht hoeven te doen. Tenminste, als men vraagt omuitstel van betaling in verbandmet corona voor loonheffingen en/of omzetbelasting van een rechtspersoon, die onder de vennootschapsbelasting valt. Dit geldt voor zowel de al verstreken als voor de toekomstige tijdvakken. In principe is men invorderingsrente verschuldigd als de aanslag te laat is betaald. Sinds 23 maart 2020 is deze invorderingsrente echter nog slechts 0,01% in plaats van 4%. J Nieuwe vereniging loopt tegen strengere winstgrens aan In principe vallen verenigingen (en stichtingen) alleen onder de vennootschapsbelasting voor zover zij een onderneming drijven. Bovendien kan een vrijstelling gelden als hun winst laag genoeg is. De winst is in ieder geval laag genoeg als zij in een kalenderjaar hooguit € 15.000 bedraagt. Overschrijdt de vereniging die eerste winstgrens? Dan moet zij nagaan of zij aan de tweede winstgrens voldoet. Dat is het geval als de totale winst over het desbetreffende kalenderjaar en de voorafgaande vier jaren maximaal € 75.000 is. Daarbij telt een verlies als een jaarwinst van nihil. Hof Arnhem-Leeuwarden heeft echter geoordeeld dat de tweede winstgrens niet geldt als de vereniging nog geen vijf jaar bestaat. In dat geval geldt alleen de grens van € 15.000. Als een vereniging een compensabel verlies heeft, kan de belastingvrijstelling voor haar onvoordelig uitpakken. Zij kan dan verzoeken om toch belastingplichtig te zijn voor de vennootschapsbelasting. Daarbij moet men zich wel realise- ren dat wederopzegging pas mogelijk is vanaf het vijfde jaar of een veelvoud daarvan na het jaar van het verzoek. J Toets hoogte ondernemingsvermogen zonder oudedagsreserve Als een ondernemer in een jaar de pensioenge- rechtigde leeftijd bereikt, valt (een deel van) zijn opgebouwde oudedagsreserve (OR) belast vrij. Het vrijgevallen deel is het bedrag waarmee de OR het ondernemingsvermogen aan het einde van het jaar overtreft. In dit kader moet men het ondernemingsvermogen stellen op de boek- waarde van de onderneming na aftrek van de fiscale reserves. De waarde van de OR hoeft men niet af te trekken van het ondernemingsvermo- gen, maar daar blijft het dan ook bij. De onder- nemer mag zijn OR niet optellen bij het onder- nemingsvermogen. Er zijn nog twee andere omstandig- heden waarin de OR (gedeeltelijk) vrij- valt. De eerste situ- atie betreft het staken van de onder- neming. Daarnaast valt de OR (deels) vrij als de onderne- mer in het kalender- jaar en daaraan voorafgaande jaar niet voldoet aan het urencriterium.

RkJQdWJsaXNoZXIy NTgwNDc=